Onze informatiesamenleving eist Nederlandse juridische normen

De integratie van analoog en digitaal kan maatschappelijk pas dan voldoende draagvlak creëren en blijvend succesvol zijn, wanneer het geldende recht in ons land tevens de Nederlandse identiteit weerspiegelt. Van het mislukken van de multiculturele samenleving moeten we lering trekken. ‘Fitting the information society to its people and the national identity’, luidt het devies.

Dat blijkt uit de toekomstvisie Nationaal recht voor de informatiemaatschappij van deze auteur, die is opgenomen in de zojuist verschenen bundel Interoperabel Nederland van het Forum Standaardisatie, onderdeel van het minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

In navolging van Frankrijk, Engeland en Duitsland heeft de Nederlandse regering geconstateerd dat de multiculturele samenleving mislukt is. Volgens vicepremier Verhagen voelen Nederlanders zich niet meer thuis in eigen land en ook allochtonen hebben het hier niet echt naar hun zin. Nederland is kennelijk verwaterd. Achteraf sluiten de regeringsleiders de rijen. De eigen, nationale normen en waarden behoren te prevaleren. Vreemdelingen moeten inburgeren, inclusief het leren van de taal. Één identiteit, luidt nu het devies om sociale cohesie te bereiken. Hoewel de facetten van een informatiemaatschappij anders zijn, wijst een analogie met de multiculturele samenleving ons de weg.

Het is de hoogste tijd dat de Nederlandse identiteit wordt weerspiegeld en geborgd door rechtsnormen ten behoeve van een nationale informatiemaatschappij, terwijl Nederland als soevereine staat volwaardig blijft participeren in de internationale, ‘gekoppelde’ wereld, zowel binnen als buiten de Europese Unie. Burgers moeten niet alleen kunnen vertrouwen op, maar ook vertrouwd zijn met en zich thuis voelen in de moderne maatschappij, waarin ICT ontelbare cruciale functies vervult.’ Mondiale verdragen en het communautaire recht bieden voldoende ruimte voor een eigen identiteit in juridisch perspectief. Bovendien valt er daadwerkelijk te kiezen.

De prangende vraag luidt: wat voor informatiesamenleving willen eigenlijk? Is er een centraal uitgangspunt en hoe ziet vervolgens het corresponderend rechtskader er uit? Zijn we bijvoorbeeld voorstander van stevige rechten op privacy, anonimiteit en ‘vergetelheid’? Welke rechten voor gebruikers van digitale producten en diensten zijn redelijk? Mag Nederlandse overheidsinformatie in het buitenland worden verwerkt? Hoe loopt de scheidslijn tussen de verantwoordelijkheid van de publieke sector ten aanzien van de digitale infrastructuur en de eigen verantwoordelijkheid van burger en bedrijfsleven? Leidt de onvermijdelijke komst van ubiquitous compting en de verregaande automatisering en robotisering tot juridische piketpalen voor de inzet van kunstmatige intelligentie?

Voor een gezonde ontwikkeling van onze informatiemaatschappij is echter van groot belang, dat we de pro- en contra debatten op rationele gronden voeren en technologie en leveranciers zorgvuldig op de merites beoordelen. In het ICT-domein zagen we eerder, onder meer ten aanzien van open source software, dat emotie en botsende meningen zelden tot waarheidsvinding en goed beleid leiden,