Geen wettelijk recht op het nieuwe werken

Overheidsorganisaties moeten in beginsel overgaan naar nieuwe manieren van werken, terwijl het bedrijfsleven de vrijheid heeft voor invoering te kiezen.

Nieuwe manieren van werken kunnen individu, arbeidsorganisatie en samenleving uitstekende diensten bewijzen, maar dat rechtvaardigt geen wettelijk recht op telethuiswerk voor werknemers. In geval van kenniswerk in loondienst is het aan de werkgever om te bepalen of het nieuwe werken wordt ingevoerd en dat moet zo blijven. De vrijheid om de arbeidsorganisatie in te richten, behoort bij de ondernemer te liggen. Voor de overheidssector is wel stevige druk op zijn plaats om het nieuwe werken uit oogpunt van doelmatigheid in voorkomende gevallen te implementeren.

Dat blijkt uit de trendanalyse Het nieuwe werken in juridisch perspectief.

De ´Week van Het Nieuwe Werken´, die van 8 t/m 15 november a.s. wordt gehouden, is een goed initiatief om de aandacht weer op nieuwe manieren van werken in de informatiemaatschappij te vestigen. De campagne richt zich met de slagzin ´Het Nieuwe Werken doe je zelf´ nadrukkelijk op werknemers, die blijkbaar ´bottum-up´ actie moeten initiëren.

Invoering van nieuwe manieren van werken is echter de uitsluitende bevoegdheid van de ondernemer. Die bepaalt de organisatorische inrichting en kiest naar eigen idee voor werkvormen en bedrijfsmodellen. Daarbij past geen wettelijk recht op telethuiswerk zoals Groenlinks eerder voorstelde.

Bovendien mogen we niet vergeten dat de invoering een ingrijpende en meestal onomkeerbare stap betekent, die de nodige zorgvuldigheid en expertise vereist. Wie denkt dat er economische voordelen zijn te behalen met twee werkplekken per medewerker, die een dag per week thuis mag werken, slaat de plank mis.

Het gaat om een bewuste, structurele bedrijfsstrategie en de veelal organisatiebrede implementatie, waarbij de vaste werkplekken op de zaak verdwijnen en het aantal vierkante meters tot de helft wordt teruggebracht. Ook zonder de overgang naar een andere manier van automatiseren, namelijk software als dienst en cloud computing, zetten nieuwe manieren van werken nauwelijks zoden aan de dijk.

Het huidige, multidisciplinaire wettelijk kader vormt algemeen gesproken geen belemmering voor de invoering van het nieuwe werken bij overheid en bedrijfsleven. Speciale wetgeving is dus niet nodig en op dit moment zelfs ongewenst, omdat zeker niet alle aspecten en gevolgen van de informatiemaatschappij voldoende uitgekristalliseerd zijn.

In plaats daarvan moet een organisatie zelf beleid ontwikkelen en formaliseren in de vorm van een gedragscode. Op grond van het arbeidsovereenkomstenrecht heeft de werkgever voldoende mogelijkheden tot het geven van aanwijzingen. De gedragsregels geven richting, bieden handvatten en scheppen helderheid in een omgeving waar werk en privé door elkaar gaan lopen.

Voor publieke sector geldt per definitie dat zij doelmatig behoort te werken. Bij het nakomen van deze maatschappelijke verplichting kan zij goed beschouwd niet langer om nieuwe manieren van werken heen. Deze conclusie vraagt volgens De Pous dringend om een actieplan ‘Overheid Open in Het Nieuwe Werken’, dat tijd- en plaatsonafhankelijk werk voor de ongeveer 1600 overheidsorganisaties die ons land telt, op grond van het ‘Comply or Explain and Commit’-principe min of meer verplicht stelt.

Een overheidsorganisatie moet dan in voorkomende gevallen uitleggen waarom zij hieraan geen gehoor geeft, op welke gronden dat gebeurt, en wanneer zij denkt het actieplan wel te kunnen uitvoeren.

> Mr. V.A. de Pous, Trendanalyse, Het nieuwe werken in juridisch perspectief, Amsterdam, 2010

> Zie voor een overzicht van onderzoeken: http://technologierecht.blogspot.com

ICT-Office vergeet rol intellectuele eigendom en kenniswerkers

Goed dat er nu duidelijke economische kerncijfers beschikbaar zijn, maar het onderzoek ´De softwaresector in Nederland´ gaat voorbij het aan fundament van ondernemerschap en innovatie in dit domein. Intellectuele eigendomsrechten, waaronder het auteursrecht, vormen de basis voor exploitatie, zelfs wanneer het om open source software gaat.

Bovendien mist de wens van brancheorganisatie ICT-Office om ´softwarebedrijven te laten uitgroeien tot de motor van de economie´ een plan om de schaarste aan ICT-professionals en andere kenniswerkers duurzaam aan te pakken. Dat blijkt uit de zojuist verschenen trendanalyse Softwarebusiness loopt op copyright.

De recente studie ´De softwaresector in Nederland´ van bureau Dialogic opent de ogen voor wat betreft de aard en omvang van deze bedrijfstak in Nederland. Zo wordt er terecht gewezen op de omstandigheid dat allerlei bedrijven buiten de traditionele softwaresector computerprogramma´s maken. Ook zorgt softwarecode voor vernieuwing in en buiten de sector.

De studie gaat echter voorbij aan het feit dat intellectuele eigendomsrechten het fundament voor het economisch succes en het innovatievermogen van de softwaresector vormen. Deze rechten maken de exploitatie van softwarecode op grond van diverse bedrijfsmodellen en leveringswijzen mogelijk.

Het Leitmotiv in de softwaresector luidt Go your own way, entrepreneur, zowel in technische als bedrijfsmatige zin. Het eerste aspect is gestoeld op het rechtskader voor exploitatie; het tweede aspect zien we nadrukkelijk bevestigd door de uitkomsten van het onderzoek, onder meer in de actuele modus operandi met betrekking tot softwareontwikkeling en de wijze waarop computerprogramma’s vervolgens worden vermarkt.

Wie van ´scratch´ ontwikkelt, maakt in toenemende mate gebruik van reeds beschikbare softwarecode. Daarbij speelt open source software een belangrijke rol, nu er al meer dan 180 duizend open source-componenten beschikbaar zijn.

Uit de Verenigde Staten wisten we al dat nieuwe programmatuur vaak grotendeels samengesteld wordt uit open en niet-open source software, die vervolgens als ´closed source´ aan de markt wordt aangeboden. Dat zien we nu ook in Nederland bevestigd. Deze praktijk rechtvaardigt niet dat de overheid als inkoper open source software positief discrimineert.

Maar component-based programming vereist wel gedetailleerd juridisch beleid en naleving voor zowel inbound als outbound licensing. We moeten namelijk goed beseffen dat op softwarecode in beginsel altijd intellectuele eigendomsrechten rusten. Wanneer de code in licentie gegeven is, gelden de voorschriften van de gebruiksovereenkomst. Daaraan moeten contractspartijen, zoals creatieve programmeurs, zich houden.

Met de uitkomsten van het onderzoek wil brancheorganisatie ICT-Office softwarebedrijven graag laten uitgroeien tot ´de motor van de economie´. Geen slechte gedachte. Maar de bedrijfstak in brede zin moet dan kunnen putten uit een reservoir aan uiteenlopende ICT-professionals en andere kenniswerkers. Daaraan schort het in Nederland en West-Europa nadrukkelijk. Ook hieraan gaan de onderzoekers en opdrachtgever ICT-Office voorbij.

> Mr. V.A. de Pous, Trendanalyse, Softwarebusiness loopt op copyright, Amsterdam, 2010

> Zie voor een overzicht van onderzoeken: http://technologierecht.blogspot.com